Iedereen rouwt op haar of zijn eigen manier

IEDEREEN ROUWT OP HAAR OF ZIJN EIGEN MANIER

door Beate Matznetter, jan. 2017

‘Om twintig voor drie in de nacht van zaterdag op zondag werd aan de deur gebeld. We zijn van het leger, zei een stem door de intercom. Ik (…) dacht bij mezelf: daar heb je het, ons leven is voorbij. Maar vijf uur later, toen Michal en ik Ruthie (hun dochter, opm. BM) gingen wakker maken om haar het vreselijke nieuws te melden en ze eerst in tranen was uitgebarsten, zei ze: ‘Maar wij leven toch nog, niet? Wij blijven leven en reizen en ik wil in het koor blijven zingen en we blijven lachen zoals voorheen en ik wil gitaar leren spelen.’ En we knuffelden haar en zeiden dat wij zouden blijven leven.’ Zo beschrijft de Israelische auteur David Grossman in zijn stuk ’Vaarwel, lieve Uri’ de nacht dat hun gezin het bericht kreeg dat Uri, hun zoon, in Libanon was gesneuveld, twee dagen voor de wapenstilstand in augustus 2006.

Sinds ik David Grossman een paar jaar geleden op televisie heb gezien -ik denk in Wim Brands’ boekenprogramma- nadat de Nederlandse vertaling van zijn boek over hem en zijn vrouw als rouwende ouders, ‘Uit de tijd vallen’, was uitgekomen, volg ik hem. Door het lezen van ‘Een vrouw op de vlucht voor een bericht’ werd ik een fan.

Dit hierboven genoemde citaat raakte me bijzonder, omdat ik me in Ruthie’s uitroep herken. Ruthie was een adolescent toen haar geliefde broer stierf. Zij weet intuïtief, als Israeli en Joods meisje, dat mensen kunnen breken door verdriet om hun in de Holocaust vermoorde geliefden. Dat bezweert ze naar mijn idee met deze uitroep: het mag mij en ons niet overkomen, dat wij aan Uri’s dood kapot gaan!

Toen onze zoon Jorin stierf, ook plotseling, maar nog heel jong en onder geheel andere omstandigheden, in een land in diepe vrede, was ik zijn moeder en veertig. Wat Ruthie wanhopig riep, zei ik als volwassen vrouw van veertig en als moeder niet, maar ik dacht het wel. Ook ik twijfelde geen moment of ik door wilde gaan met leven. Dat vond ik bijna gek van mezelf, dat ik zo aan het leven hing, maar hierover twijfelde ik geen moment.

Nadat ik Jorin in mijn armen mee mocht nemen uit het ziekenhuis -dat kon in 1995!-waar men tevergeefs had geprobeerd hem te reanimeren, probeerde ik mijn andere kinderen van het eerste moment aan te laten zien, dat na een onthutsende dood het leven nog evenzeer de moeite waard is. Nog meer misschien dan eerst. Ik wist dat ik dat kon. Toen was het me echter nog niet zo helder als nú, na het schrijven van mijn boek in 2014 en na twee jaar in therapie, waar deze drive vandaan kwam. Ook in mij, geboren in 1954 in Wenen, zitten de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en een enorme drang om voluit te leven, om door te gaan, om mijn talenten in te zetten om de wereld beter te maken, eerst voor mijn generatie en later, toen ik moeder werd, voor mijn kinderen.

 

Het is echter geen keus om zo in elkaar te zitten. Vooraf weet je dat niet.

Hoe elk van ons een nieuw leven begint, een ander mens wordt na de dood van een kind of broer of zus, hebben we niet in de hand. Onze ouders hebben ons rouwen voorgeleefd. Hoe veiliger het thuis in het ouderlijk huis was- en dan bedoel ik dat er niet alleen eten was en schone kleren, maar aandacht voor ons verdriet en onze angsten als kind en ouders die zelf niet te getraumatiseerd waren- hoe meer we kunnen kiezen: huilen, boos zijn, lachen, op een moment tijd nemen voor verdriet en het andere moment dankbaar en blij verder leven.

Bij ons thuis in Wenen werd nooit over rouw gesproken. Er werd ons niet uitgelegd waarom oma en opa elk jaar op kerstavond huilden. Ik vond het heel raar omdat ik liever blije mensen om me heen had gehad op de voor ons kinderen leukste avond van het jaar als het Kerstkind dan stiekem cadeautjes had gebracht. Over de in de oorlog gestorven broer van mijn vader werd niet gesproken. Dat ze waarschijnlijk om hem huilden, wist ik niet.

Dat huilen was ook genant omdat ik haast niemand ooit zag huilen. Mijn ouders waren absoluut niet streng, straf was er niet, maar aangehaald werden we ook niet. Niemand bemoeide zich met emoties. Op de middelbare school vond ik toneelspelen het leukste vak. Waarschijnlijk, denk ik nu, omdat je daar wel mocht voelen en dat mocht uiten. De rol die ik me het best herinner was die van een huilende wanhopige Eva met haar dode zoon Abel in haar armen.

Ook hier in Nederland was geen traditie van het uiten van emoties, maar ik ben hier het ‘na de dood van een kind zwijgen, in eenzaamheid en stilte lijden, buitenshuis de rug weer rechten en doorgaan’ door ouders niet tegengekomen. Al reageert de omgeving dikwijls extreem onhandig, wat rouwende ouders kwetst omdat het als onverschilligheid wordt opgevat, er is naar mijn idee voor de rouwende ouders  zelf geen verbod op het uiten van verdriet, in ieder geval niet in de eerste tijd.

Zo zijn er cultureel bepaalde verschillen in het uiten van verdriet, verschillen tussen landen en bevolkingsgroepen.

 

Iedereen van ons weet dat er ook al binnen een gezin meestal grote verschillen zijn in de manier van omgaan met en uiten van het verdriet en de andere emoties zoals boosheid. Dat heeft dus te maken met de ervaringen in de eigen jeugd, of de eigen ouders wel of niet empathisch en zorgzaam konden reageren zoals ik eerder al aanhaalde, met de onbewust aangeleerde sekserollen (jongens mogen nog minder huilen dan meisjes), met culturele afkomst en tradities, meer extravert- of introvert-zijn. Dat kan tot verwarring en zelfs conflicten leiden als de ouders het niet door hebben en daar niet met elkaar over kunnen spreken. Ik zou alle ouderparen willen aanmoedigen om dat wel te doen! In ‘Samen verder na verlies van een kind’, uitgekomen in 2014, geven de ouderparen die ik heb geïnterviewd daar mooie voorbeelden van. Zo vertelt Rifka (36) dat haar man bang werd als hij haar ’s avonds na haar werk hard snikkend in Mirte’s kamertje aantrof. Zij kon hem uitleggen dat haar dat hielp, dat ze daardoor kon ontspannen en dat hij- na de begroeting- alvast gerust iets anders kon gaan doen, bijvoorbeeld al de aardappels schillen. Ze zou dan zo komen meehelpen!

Een ander echtpaar vertelde dat iedereen wist dat vader Lodewijk vele uren huilend naar de filmen keek die hij van hun meisjes gemaakt had en waarin hun kleine Milou nog onbevangen ronddartelde. Zij verdronk later op zwemles.

 

Een voor mij prettig verklaringsmodel om de verschillen aan elkaar uit te leggen en ze zelf te snappen is het volgende: we bewegen ons bij dergelijk intensief rouwen als na de dood van een kind heen en weer tussen twee gebieden van aandacht. Het ene is de aandacht die we richten op het verlies, zoals het bezoek aan en de rituelen bij het graf of het kaarsen aansteken in huis of bij een OOK-bijeenkomst. Het andere is de aandacht voor ‘herstel’, waarmee aandacht voor het opbouwen van een nieuw leven als rouwende ouders, broers en zussen wordt bedoeld. Dat doen we als we met de andere kinderen een uitstapje maken om hun en onszelf een fijne dag te bezorgen, als we weer gaan sporten, als we weer het oude of nieuw werk oppakken of met een vriend/ vriendin afspreken om iets aangenaams te doen. Vaak is een van de ouders langer of zichtbaarder met het verdriet of de boosheid bezig en is de ander sneller in het weer oppakken van werk. Al zouden we denken dat mannen eerder aan het werk gaan en zich minder uiten over hun verdriet, ook omdat ze vaak het merendeel van de kost verdienen, het is heus niet zo. De andere factoren als opvoeding in de jeugd en karakter spelen een grote rol. Op den duur is het vinden van evenwicht belangrijk. Ik weet respectievelijk geloof zeker dat het zich niet kunnen uiten verslavingen en andere ziekten tot gevolg heeft. Mijn oma, die nooit over haar zoon sprak, had altijd hartklachten. U heeft ongetwijfeld zelf voorbeelden uit uw omgeving: mensen die te veel drinken of blowen of lijden aan slapeloosheid. E n er zijn meer consequenties. Op een reis ontmoette ik een Vlaamse vrouw, aalmoezenier in gevangenissen: ‘U zou ’s moeten weten!’ riep ze uit. ‘De gevangenissen zitten vol met mensen die geen mogelijkheid hadden om te rouwen!’

 

Zelf heb ik de neiging om meer op de ‘herstelgerichte kant’ te zitten. Door mijn ervaring en mijn beroep wist ik dat gelukkig en nam me voor om zo veel mogelijk de aandacht bewust te richten op het verlies. Ik ging schrijven bij het graf, ik ging naar alle begrafenissen van bekenden en huilde daar terwijl ik de overledene nauwelijks kende. Maar echt hulp zoeken opende nog hele nieuwe aspecten, die me ook tot een betere hulpverlener met nog meer geduld hebben gemaakt.

Aangenaam aan mijn en misschien ook uw neiging tot ‘voluit verder willen leven’ is dat ik gauw naar de zonnige kanten kijk. ‘Het had nog veel erger kunnen zijn bij ons! Hij heeft maar heel kort geleden! Ik heb zo veel van hem geleerd! Hij is mijn ‘lijntje’ naar de hemel!’ Laatst waren we met ons allen, wij ouders, de kinderen en hun relatie met Oud en Nieuw op Terschelling. We hebben voor het eerst na jaren weer spelletjes gedaan en ik was zo dankbaar! Dat vond ik echt geluk: warmte en genegenheid kunnen geven en kunnen ontvangen!

Maar ook ik moet dat bewust onderhouden. Ik kan gelukkig zijn, maar een moment later weer extreem bang zijn om mijn man en kinderen. Als ik niet oplet, terroriseer ik mijn hele gezin met mijn ongebreidelde paniek en angstscenario’s. Door aangename dingen te doen zoals met prettige mensen afspreken, liefst buiten te sporten, te mediteren of lachyoga te beoefenen probeer ik dat binnen de perken te houden.

 

Literatuur:

Bowly, John, Das Glück und die Trauer, Klett-Cotta 2014 (gebaseerd op The Making and Breaking of Affectional Bonds, Tavistock 1979),

Grossman, David, Uit de tijd vallen, Cossee 2012,

Grossman, David, Leven en schrijven in tijden van oorlog, Cossee 2016,

Matznetter, Beate, Samen verder na verlies van een kind, Ten Have 2014,

Stroebe en Schut, ‘Het duale procesmodel van rouw’ (1999, 2002), pag 34 e.a. uit: Maes, Johan en Mariëtte Modderman (red.), Handboek Rouw, rouwbegeleiding, rouwtherapie, Witsand 2014

 

 

 

Gerelateerd